Nederlands Insituut van Psychologen

Godfried Westen | 26-02-2020
A&O-items februari 2020
 
 
De psycholoog van de toekomst? (1)
 
In de nieuwsbrief van het UWV van december 2018 stond een bijdrage over de arbeidsmarktpositie van academici. De kansen van universitaire psychologen op het vinden van werk zijn relatief klein en het jaarinkomen is (zelfs na 10 jaar) benedengemiddeld vergeleken met veel andere universitaire opleidingen. De arbeidsmarktpositie van psychologen is kortom vrij zwak: op plaats 60 van in totaal 70 universitaire opleidingen (Van Smoorenburg, M., Van der Werff, S. & Zwetsloot, J., 2018).

Hoe is die zwakke arbeidsmarktpositie van psychologen te verklaren? Wat gaat er fout? En wat kunnen we hiervan leren voor een hopelijk betere toekomst van de psycholoog? En valt er wat aan te doen en zo ja, wat?

Inleiding
‘De psycholoog’ bestaat natuurlijk niet. Er zijn vele loten aan de boom ‘psychologie’. De psychometrist/methodoloog heeft meestal sneller werk en verdient meestal meer dan een klinisch of sociaal psycholoog. Gemakshalve schets ik toch een beeld van de psycholoog van de toekomst in algemene zin. Ik vind het niet passend daarbij de hbo-psycholoog te negeren. Maar het accent ligt wel op wat universitair geschoolde psychologen gemeen hebben en straks het beste gemeen zouden kunnen hebben om het predicaat ‘wetenschappelijk’ te behouden.

Ik richt me op een aantal kwesties die het beeld van de hedendaagse psychologie en psycholoog bepalen en volgens mij samenhangen met de zwakke positie op de arbeidsmarkt. Compleet kan ik niet zijn. Wellicht ben ik te selectief en doe ik aan cherrypicking om mijn punt duidelijk te maken, waarvoor bij voorbaat mijn excuses. Zie het navolgende als bijdrage aan een discussie die gevoerd moet worden en niet langer kan wachten.

Het vak nu
De toekomst heeft zijn voeten in het verleden en heden. Voor een oordeel vormen de feiten en tekenen uit het verleden en het heden het beste fundament.
  • Het wetenschappelijke niveau van de universitaire psychologie is op zijn zachtst gezegd kwestieus, zo leid ik af uit resultaten van een overzicht van veel replicatieonderzoek (ongeveer 60% van gevonden effecten bleek niet te repliceren).
  • Ook een teken van magere wetenschappelijke statuur is het feit dat deskundigen van velerlei kunnen en achtergrond actief zijn in sectoren waar je zou verwachten dat psychologen een vooraanstaande rol spelen. Neem stress, een maatschappelijk thema dat voer voor psychologen zou moeten zijn. De NRC wijdde een artikel (Van der Sanden, 2019) aan het boek Gek op stress (2018) van Suzan Kuijsten en Carolien Hamming dat aandacht vroeg voor de positieve effecten van stress. Schrijvers zijn een neerlandica en een socioloog. Eerder schreven psychiater Witte Hoogendijk en journalist Wilma de Rek (2017) het boek Van big bang tot burn-out. Psychologen kunnen een dergelijk thema natuurlijk niet claimen maar ik vind het opvallend dat zij zo weinig zichtbaar zijn voor het grote publiek op dit typisch psychologische thema.
  • Het denken van psychologen blijkt mij in de praktijk vaak te subjectief en weinig kwantitatief-geobjectiveerd. Zo blijven veel praktisch werkende psychologen ongeacht eenduidige onderzoeksresultaten professioneel handelen alsof het klinische oordeel beter is dan het mechanische oordeel. Algoritmes en protocollen – vormen van mechanische oordeelsvorming – bieden echter een meer valide fundament voor een professioneel oordeel en dito handelen dan het klinische oordeel.
  • Veel psychologen huldigen de aanname dat specifieke factoren als ervaring en gebruikte methode causaal samenhangen met effecten van hun professionele handelen. Uit veel onderzoek komt echter naar voren dat generieke factoren - zoals kwaliteit relatie cliënt/ psycholoog en het feit dat er aandacht geschonken wordt - sterker samenhangen met uitkomsten (met CGT - cognitieve gedragstherapie - als uitzondering die de regel bevestigt).
  • Het feit dat weinig psychologen - zowel praktiserend als wetenschapper - zich bezighouden met een actueel thema als algoritmes zie ik als een teken dat vernieuwingen te traag opgepakt worden. Te vaak worden dan ook naar mijn smaak in De Psycholoog boeken en methoden besproken die een psychologische theorie behandelen waarvoor nauwelijks wetenschappelijke evidentie bestaat. 

Dit alles acht ik kenmerkend voor een sterk praktisch georiënteerde beroepsuitoefening. Werkgebieden zoals coaching, selectie, assessment, marketing, organisatieadvies, begeleiding en therapie waarop veel psychologen van verschillende richtingen actief zijn, kunnen zonder veel bezwaar uitgevoerd worden door goed opgeleide professionals op hbo-niveau. Het verschil tussen een HBO-toegepaste psycholoog en een universitaire psycholoog is bezien vanuit werkgebied, inzetbaarheid en gerealiseerde effecten op de keper beschouwd niet erg groot.

Onderscheidenheid vereist unieke kennis en vaardigheden. En daar is blijkbaar geen sprake van, getuige het brede spectrum aan andere disciplines - bedrijfskundigen, economen, neerlandici, psychiaters, hbo’ers van verschillende afstudeerrichtingen et cetera - die zich succesvol op genoemde werkterreinen weten te profileren. Sterker, getrainde leken brengen het er niet slecht vanaf bij minder ernstige psychische problematiek, zo valt af te leiden uit twee artikelen in The Economist (2019a en 2019b).

In het tweede deel ga ik nader in op maatregelen die de arbeidsmarktpositie van de psycholoog mijns inziens kunnen versterken.

Literatuur

Godfried Westen, A&O-psycholoog NIP, publicist en eigenaar van de School voor psychologie
.Godfried ontwikkelde de workshop ‘Welbevinden voor teams’ en publiceerde het boek ‘Welbevinden – Wat je zelf kunt doen’.
Reageren? Mail naar A&O-items  
+31 30 820 15 00  |  info@psynip.nl  |  www.psynip.nl  |  © 2020 NIP
Volg ons:
Facebook   Twitter   Linkedin
...